Op het moment dat ik met een conductrice op het station van ’s-Hertogenbosch sta te praten over het nieuwe traject naar Utrecht, passeerde in mijn ooghoeken een meisje met donkerblond haar, helder blauwe ogen, gehuld in een marineblauw mantelpakje. Vrijwel onmiddellijk kap ik het gesprek met de conductrice af en volg ik het meisje de trein in. Niet alleen het traject naar Utrecht, maar ook het interieur van de treinen is kennelijk veranderd en doet stilistisch aan als art deco. Aarzelend spreek ik het meisje aan, waaruit een gezellig gesprek vloeide.

Zo gezellig dat ik op een gegeven moment me realiseer dat ik niet alleen de halte op Utrecht Centraal, maar ook alle overige stations gemist heb. Waar ik precies was weet ik niet, maar het zou me niets verbazen als ik al in Groningen zou zijn. Afgezien van het meisje ben ik nog de enige in de trein toen ik uitstapte op een plaats waar ik nog nooit van gehoord had. Het was tevens de eindbestemming van de trein: het spoor hield hier immers op. Het meisje, dat al die tijd bij me was geweest, stapte ook uit en leek de plaats te kennen. De eerstvolgende trein zou voorlopig nog niet vertrekken, zei ze, dus ik besloot om de plek te verkennen. Ze vulde aan dat ik alleen zou moeten gaan, want het is haar taak om op de trein te passen tot vertrek.

Na het oversteken van een uitgestrekte vlakte, zie ik op een heuvel in de verte een huis dat een curieus gevoel opwekt. Ik loop er naartoe en klop aan, maar niemand opent. Mijn nieuwsgierigheid kan ik niet bedwingen en loop naar de achterkant van het huis, waar ik een kippenren aantref. Ik staar naar het gevogelte als ik ineens een aura achter me waarneem. Ik kan echter niet bewegen en voordat ik het weet word ik tegen de achterkant van mijn hoofd geslagen. Ik verlies mijn bewustzijn en val op de grond.

Als ik weer wakker word zit ik op een stoel: mijn handen aan elkaar en voeten aan de stoel gebonden. Tegenover me zit de waarschijnlijke dader, het schoolvoorbeeld van een viezerik. De man is dik, zijn t-shirt is te klein, zijn kaki gekleurde broek te kort, zijn slippers vertrapt en hij zit rauwe eieren te eten. Rechtstreeks uit het rekje dus. Inclusief schaal. Het meest opvallend aan deze man is zijn verschijning: alles van de top van zijn hoofd tot onder zijn neus is afgedekt, wat alleen zijn schrale, gescheurde lippen, ongeschoren gezicht en driedubbele kin zichtbaar laat. Hij draagt een masker, vermoedelijk gemaakt van kippenkarassen: botjes, snavels, veren en poten. Achteraf gezien een kunstzinnig werk, maar op dat moment kon ik het niet waarderen.

Het engste aan de man is misschien nog wel dat hij geen woord zegt, maar alleen giechelt als een klein meisje. Hij neemt een hap uit het ei, en terwijl hij stukjes eigeel rondom zijn mond wegveegt giechelt en grinnikt hij. Een misselijkmakend beeld. Toen ik deze bizarre verschijning eenmaal in me had opgenomen, stond ik op en liep ik weg uit de kamer waar we zaten, nog altijd met mijn handen en stoel op mijn rug. Hij stopte met zijn rariteiten en achtervolgde me door zijn boerderij. Nadat ik me eenmaal door de keuken en tuinkamer had gemanoeuvreerd, zag ik de deur naar buiten. Ik schakelde van de sluip- naar sprintmodus, maar voordat ik het zonlicht kon proeven trok de man me terug door de stoel op mijn rug beet te pakken.

Nu pas realiseerde ik me hoe kolossaal de man was: de zweetvlekken onder zijn oksels waren minstens het formaat van mijn hoofd, zijn half bedekte buik onder het simplistisch witte t-shirt was dicht behaard en zelfs daar zaten ook resten van ei. Ook de vlekken op zijn broek deden mij denken dat hij de broek al minstens drie weken niet verschoond had, om nog maar te zwijgen over zijn gele, gebrokkelde teennagels die uit zijn sjofele slippers staken. De man keek me ernstig aan en at nog een ei. Ik probeerde weg te rennen als een bange muis, maar hij hield tijdens het eten stevig vast aan de stoel op mijn rug.

Uiteindelijk liet hij ineens los om aan zijn vadsige buik te krabben, waardoor ik met een smak op de grond viel. Al rennend ben ik opgestaan en ben ik de tuin ingerend, maar ik ging de verkeerde kant op en stond oog in oog met een hoog hek. Op datzelfde moment voelde ik iets tegen mijn achterhoofd. Het was nat en vettig: een ei. Ik draaide om en daar stond de Kippenman, gewapend met een doos eieren die hij afwisselend at of richting mijn hoofd smeet. Hij bleef maar giechelen met zijn krakende stem. Ik trapte een van de kippenrennen, een exemplaar dat meer weg had van een konijnenhok, omver en gebruikte de poten ervan om mezelf te weren tegen de Kippenman. Natuurlijk was hij niet blij met dit vandalisme en leek van onder zijn macabere masker boos te worden.

Hij gooide ineens het hele rek van pakweg een stijg eieren naar mijn hoofd, pakte een schop en ging ermee slaan. In het begin kon ik me weren, maar na de eerste klap tegen mijn linker bovenarm volgde de ene naar de andere. Toen ik een van de poten gebruikte om mezelf te verdedigen, brak het doormidden en ontstond er een scherp punt. Een perfect wapen, dacht ik. Ik ontweek een hoge slag van zijn schop en stak zonder nadenken de puntige poot in zijn bovenbeen, waarna hij een kraaiend geluid maakte en door de knieën ging. Meteen daarna sloeg ik met de andere poot achterop zijn schedel, waardoor hij met zijn hoofd tegen de grond smakte. Ik pakte zijn schop af en draaide hem op zijn rug, alsof ik een prehistorische dinosaurus had gevangen.

Ik probeerde het masker van zijn gericht te rukken, maar het leek vastgelijmd aan zijn gezicht te zitten. Toen de Kippenman weer bij bewustzijn leek te komen, heb ik nogmaals met de schop hem op tegen het hoofd geslagen. Ik kon nu twee dingen doen: wegrennen of informeren waarom hij zo deed. Mijn curiositeit in deze bizarre man was groter dan mijn angst, dus ik pakte twee hooivorken uit de schuur en stak ze via zijn bovenarmen in de grond. Bij zijn rechterarm onderschatte ik de massa, waardoor ik twee keer de hooivork door zijn arm heb moeten steken. Hij kraaide weer als een haan, maar nu vele malen feller dan de keer dat ik de puntige poot in zijn bovenbeen stak. Het bloed vloeide inmiddels rijkelijk, maar ik grapte dat het in ieder geval de verharde en gele zweetvlekken op zijn karig, witte t-shirt zou bedekken.

Hij begon te zweten en krampachtig adem te halen. Mijn aandacht ging nogmaals uit naar het masker: het deed me denken aan een Splicer Masker, maar dan was elke vorm van elegantie ingeruild voor macaber. Kippenbotjes vormden de basis ervan, wat versierd werd met verschillende kleuren veren. De linker en rechter bovenhoek ervan bevatte een gewei-achtige constructie, gemaakt van kippenpoten. Nogmaals geprobeerde ik het masker los te rukken, maar nu hield ik geen rekening meer met het feit dat het mogelijk aan zijn hoofd gelijmd zou zitten. Met mijn rechtervoet op zijn vettige mond zette ik me af terwijl ik een ruk aan het masker gaf, maar er leek gewoon geen beweging in de zitten.

Toen drong het tot me door: het is geen masker, het is gewoon onderdeel van zijn gezicht. Al gauw trok ik de naïeve conclusie dat dit het gevolg moet zijn van teveel eieren eten. De man hoestte bloed op en ik deed een stap terug. Inmiddels was zijn witte t-shirt bijna rood geworden van het bloed dat her en der uit zijn armen kwam gegutst. Ik vroeg hem waarom hij mij aanviel, maar weer bleef zijn vorm van communicatie beperkt tot zuchten en grinniken. Pas op het moment dat hij doodleuk opstond en de hooivorken in zijn armen leek te negeren, verstijfde ik van angst: de Kippenman is gewoon een beer.

Misschien dat zijn masker, of beter gezegd, protuberantie zijn hersenen onderdrukt waardoor menselijke communicatie niet meer mogelijk is voor hem. Hoe dan ook, verslagen keek de Kippenman naar de hemel, nog altijd met de hooivorken in zijn reusachtige armen. Ik verwachtte dat hij weer zou gaan grinniken, maar in plaats daarvan kraaide hij zo hard dat mijn trommelvliezen er van gingen klapperen. Ik zette wat stappen terug uit, een route zoekend om hier zo snel mogelijk weg te komen. Datzelfde moment trok de man de hooivorken uit zijn armen en staarde met een intense blik naar me. Ik verstijfde uit angst.

De man stapte op me af, maar in plaats van dat hij grinnikte kwam er nu figuurlijke stoom uit zijn oren. Ik probeerde weg te komen, maar mijn benen bewogen niet. Op het moment dat hij zijn vuisten balde, schrok ik van een plotselinge realisatie: ik sta niet tegenover een mens of een gemuteerde Kippenman, maar tegenover een basilisk, het mythologische wezen dat de vorm van een haan kan aannemen en alles in zijn blikveld doodt. Zijn ene blik wordt mijn ondergang, dacht ik. Hij haalde uit met zijn enorme vuist en sloeg me ruim twee meter verder. De pijn was onbeschrijfelijk, maar hij sloeg me wel richting de vluchtroute die ik daarnet zelf uitgestippeld had in gedachte. Mijn linkerschouder was waarschijnlijk gekneusd door de enorme klap, maar rennen was het enige waar ik op dat moment aan dacht.

Op datzelfde moment kraaide de Kippenman een vierde keer, waarna alle kippenrennen geopend werden en rondom hem een leger van hennen en hanen vormde. Ik was inmiddels al enkele meters van de bizarre boerderette verwijderd, maar het kippenleger onder leiding van de basilisk zette de achtervolging in. Aan de dood heb ik vooralsnog weten te ontkomen, dacht ik, maar ik ben nog verre van veilig. Ik stak de weilanden over met alleen het treinstation voor ogen. Mijn conditie is waardeloos te noemen, dus al gauw voelde ik steken in m’n zij. Bovendien deed mijn linkerschouder dermate pijn dat ik besloot een korte pauze te nemen, maar het kippenleger dichtte mijn voorsprong al gauw.

Na nog zeker een kilometer rennen kwam ik aan op het treinstation, waar de trein gelukkig al op me wachtte. Zonder een kaartje te kopen ben ik erin gedoken, heb ik de deuren achter me gesloten en ben ik hijgend op de grond gaan zitten. Ik was volledig bedekt met zweet, bloed en de stank van eieren. Op het moment dat de trein ging rijden keek ik uit het raam of ik de Kippenman en zijn leger nog ergens kon zien, maar het was spoorloos. Gelukkig. Ik slaakte een zucht van opluchting, moest glimlachen en zocht een plaats in de coupé.

Na pakweg een kwartier naar buiten gekeken te hebben, vroeg plotseling een conducteur naast me naar mijn kaartje. Een kaartje had ik niet, dus ik besloot de boete als een echte man te accepteren. Ik keek op en schrok me dood: de Kippenman. Hij at een ei en vroeg toen zwoel: “Mag ik je kaartje of lust je een eierkoek?”.