Een smalle trap in mijn gedachte, welke ik probeer te volgen. Ik loop niet, ik ren niet. Ik zweef. Herinneringen passeren, zoals een zwerm muggen op een zwoele zomeravond waar je per ongeluk doorheen fietst. Leuke herinneringen toveren een glimlach op mijn gezicht; de minder leuke vullen me met verdriet. Ik probeer deze zoveel mogelijk te negeren, maar ze zijn overal. Alsof de fijne herinneringen van het veld gestuurd zijn en zich genadeloos overgeven aan de slechten, die duidelijk in de meerderheid zijn. Ik volg de trap verder omlaag, dieper mijn leven in. Terwijl ik de herinneringen aan mijn linker zijde volg, struikel en val ik. Van de trap, naar beneden. Vergeefs probeer ik de leuning vast te pakken, maar telkens pak ik mis. Eenmaal onderaan de trap aangekomen val ik in de duisternis. In de verte zie ik de trap verdwijnen en ik los op in de onenigheid van niets. Een ruimte zonder licht. Zonder iets. Enkele minuten later hang ik stil, zwevend in mijn gedachte. Ik voel niets. Geen warmte, geen kou; geen vrolijkheid, geen verdriet. Helemaal niets.
In de verte hoor ik lachende kinderen, met af en toe een meisje die boven de rest uitgilt. Het geluid wordt eerst zwakker, daarna weer luider. Ik spits mijn oren en richt me op het geluid. Vervolgens zie ik in de richting waar het geluid vandaan komt een lichtje, alsof het eenzame ster aan de hemel staan te fonkelen. Ik reik mijn hand uit, pak het licht en bekijk het van dichtbij. Een fel licht. Zo fel dat je de kern van het licht niet kunt zien. Het brandt in mijn ogen en ik laat het vallen. Langzaam maar zeker dooft het licht. Op het moment dat niets meer van het licht zichtbaar is, voel ik nattigheid. Niet een beetje, maar het lijkt alsof ik zonder maneschijn vanaf een schip in de zee gedumpt word. Het stralende schip is verdwenen aan de horizon. Het water baant zich een weg door mijn haar, maar mijn kleren blijven droog. Ik heb ze namelijk niet aan.
Ik voel me letterlijk als een vis in het water, al ontbreken de schubben natuurlijk. Ik sluit mijn fictieve vissenogen en probeer na te denken. Met mijn verzonnen vinnen zwem ik wat rond, nadenkend over nu. Niet over vroeger, niet over later, maar over nu. Dit moment, wat ik nu wil gaan doen. Op het moment dat ik het weet, brokkelen mijn vinnen af en val ik uit het water. Met een harde smak beland ik onderaan de trap waar ik zojuist vanaf gevallen ben. Hoeveel tijd zojuist vergaan is weet ik niet, het kan een seconde zijn, het kan een eeuw zijn. Misschien wel meer. Ik rek me uit, loop naar boven en wordt omringd door duisternis. Inmiddels weet ik hoe laat het is. Tijd voor een nieuwe start.