Eindelijk heb ik de plaats gevonden. De plaats waarnaar ik op zoek was. Hoe ik er kom, is me nog niet duidelijk. Maar die plaats is gevonden. Miljoenen woorden knipperen voor m’n ogen. Liggend in het gras, sluit ik mijn ogen. De miljarden letters zijn op mijn netvlies gebrand. De woorden bewegen langzaam voort. Alsof het enorme scholen lichtgevende visjes zijn. Vuchtend. Chaotisch, maar gestructureerd. Het herhalende patroon verveelt aanvankelijk. Vervolgens wekt het slaap. Een eindeloze stroom visjes, zwemmend naar hun doel. Of vliegen ze? En waarheen? Waarom?

Ik open mijn ogen. De woorden vervagen, sterren verschijnen. De vrijheid is onzichtbaar, de stilte doorbroken. Boven de horizon prijkt de maan, als een machtige koning die over zijn sterrenrijk heerst. Een vredig rijk, sereen. Dan opeens tikt ze me aan en vraagt of we gaan. Ik knik, maar verroer geen vin. Pas als ze mijn zicht op de koning en diens onderdanen belemmert, sta ik op. Ze pakt mijn hand en loopt naast me. Ze zwijgt. Ik ook. Langzaam keren we terug richting de bewoonde wereld. Open vlaktes maken plaats voor asfalt en gebouwen, stilte voor het nachtelijke leven. Alleen wij, en zij, blijven dezelfde. Zoals het altijd geweest is, en altijd zal blijven.