De sneeuw komt met een zachte landing neer op de glimmende klinkers terwijl ik met mijn enige vriend en bezit onder mijn arm door de koude wijken slenter, nadat Vader mij uit huis gezet heeft. Zelfs de zon met haar rode gloed wil mij niet meer te zien en duikt langzaam weg achter de kathedraal. Of vlucht hij voor de maan, die achter mij alweer aan de hemel prijkt en langzaam de warmte verjaagt. Noch mijn vriend, noch ik weten wat voor tafereel zich hoog boven het menselijke bestaan afspeelt, maar het staat ons niet aan. We slaan een zijstraat in en komen uit bij de gracht. Aan de overkant rent een jonge vrouw voorzichtig over het gladde trottoir met in iedere hand een flink gevulde boodschappentas. Haar tas is voller dan ons leven, merkt mijn vriend op. En mijn maag, vulde ik aan nadat mijn darmen aangaven dat deze weinig werk te verrichten hebben. Hongerig passeer ik een bakkerij, waar de bakker zojuist enkele warme broden uit de oven toverde en deze verpakt in een papieren zakje meegeeft aan een mollige man in ruil voor wat kleingeld. Klein geld. Het was tenminste geld. Niet alleen mijn leven en maag waren leeg. Gedachteloos staar ik vanaf de brug naar het water, mijn vriend naast me. Het water is nog interessanter dan mijn leven. De kleine golfjes lokken me met hun oneindige variatie en onvoorspelbaarheid. Zwakte. Duizenden messen doorsteken mijn leegte. Mijn vriend blijft daar staan, dagenlang op diezelfde plaats op de brug. Door de kou springt er een snaar.